|
TECHNIEK
Veel
gemaakte fouten bij het schieten.
- Het niet aannemen van de
juiste houding, met als gevolg spiertrekkingen, krampen,
etc.
- Geen correcte houding
- Te wild of schuin afdrukken.
- Het wapen te stevig
vasthouden.
- Het hoofd scheef houden.
- Onjuist gebruik van de
richtmiddelen.
- Het niet geheel uitademen,
of deze toestand te lang vasthouden.
- Te lang drukpunt houden,
waardoor u niet meer voelt of u nog drukpunt heeft, en
hierdoor te hard of te zacht (vertraagd) afdrukt.
- Bij wedstrijden de angst
hebben om fout te schieten, dus te lang wacht. Het
coördineren van de beweging, adem, richten enz. klopt dan
niet meer. U moet in dit geval altijd overnieuw beginnen (vaardighouding).
Waarop
moet u letten.
- Goede houding zoeken (incl.
instellen vizier).
- Richten (max. 12 seconden,
geconcentreerd: 4 tot 8 sec.).
- Drukpunt zoeken (1,5 tot 2,5
sec. is de beste schiettijd i.v.m. trillen) en schieten.
- Durf altijd met het zoeken
naar de juiste houding, het kijken, richten, ademen,
drukpunt zoeken, en afvuren, rustig te wachten totdat u
helemaal zeker bent van uw zaak.
Vergeet nooit dat schieten een
sport is, welke enige techniek verlangt, maar nooit overmatig
inspannend mag zijn.
Laat u niet beïnvloeden door
hetgeen er om u heen gebeurt. Knijp bijvoorbeeld bij het afgaan
van een schot, door de schutter naast u niet de ogen dicht, (dit
kan alleen wanneer u zich volledig concentreert op uw eigen te
lossen schot).
Voor het schieten kunt u beter
geen opwekkende dranken (Cola, koffie, etc.) gebruiken, ook
roken maakt u nerveuzer dan u denkt.
Relax voor een wedstrijd, blijf
gewoon. Geweeroefeningen, waardoor u op den duur het gewicht van
het wapen niet meer voelt, bewijzen hun nut.
Zorg dat uw wapen in een perfecte
conditie verkeert, richtmiddelen goed afgesteld en vastgezet,
loop schoon en droog, repeteer mechanisme of grendel soepel
lopend.
Haal het wapen altijd na het
schieten even door met een pompstok.
U heeft veel dingen om aan te
denken, maar denk vooral aan het belangrijkste punt:
Veiligheid voor alles!
WAAR KOMEN
DIE AFZWAAIERS VANDAAN?
Men kan op grond van (eigen)
ervaring echt wel zeggen, dat deze afzwaaiers worden veroorzaakt
door het omtrekken van het wapen op het moment dat het schot
valt.
Gewoonlijk begint de onervaren
schutter, (en niet alleen hij) nadat hij het luchtgeweer op de
schijf gericht heeft, met het overhalen van de trekker, hierbij
is alle aandacht gericht op de schietschijf.
Bij de poging om het schot te
lossen op het moment dat de vizierlijn precies "rond het doel"
aanwijst, richt de aandacht zich steeds meer op de schijf.
Hierdoor wordt de vizierlijn steeds waziger. Op het moment dat
het schot valt, kan op deze manier de korrel enkele tienden van
een millimeter uit het hart van de keep zijn gezwaaid. Daar de
schutter hier niets van gemerkt heeft, denkt hij dat hij een
goed schot gelost heeft, waarop de concentratie alleen maar meer
op de schijf gericht gaat worden.
Het overgrote merendeel van de "slechte"
schoten wordt veroorzaakt door het feit dat de schutter de
vizierlijn niet meer scherp ziet. Voor het lossen van een "goed"
schot is het echter noodzakelijk dat de vizierlijn duidelijk is.
Hoe bereiken we dit dan?
Bij het richten moet de aandacht
van de schutter gericht zijn op de keep - korrel van het wapen.
Hierbij is het voor een schutter zonder veel ervaring zeer
moeilijk om met een scherp zichtbaar vizier op een vaag
zichtbaar doel te richten. Door de ogen nu te focussen op het
doel en weer terug op keep- korrel, is de enigste manier om na
het lossen van de schoten een juist schotbeeld te krijgen.
Bij het negeren van deze regel
kunnen zelfs precies op doel gerichte schoten afzwaaiers zijn.
Bij een wazige keep - korrel bemerkt men de afwijking namelijk
niet.
Het merendeel van de ervaren
schutters volgt deze methode:
Nadat ze het geweer in positie
hebben, richten ze de korrel rond de roos, en focussen hun ogen
op de schijf. Als het wapen grof rond de roos gericht is,
focussen ze hun ogen op de keep- korrel vizierlijn, zodat deze
scherp wordt. Het wapen wordt nu precies rond de roos gericht.
Dat de schijf wazig is wordt nu niet als storend ervaren.
Voorwaarde voor het met succes
uitvoeren van voorgaande procedure is echter wel, dat de positie
van de schutter stil genoeg gehouden moet kunnen worden. Alleen
dan wordt de aandacht van de schutter niet afgeleid door grote
trillingen (waardoor er weer opnieuw gericht en gefocusseerd
moet worden etc.).
Door beginnende
luchtgeweerschutters worden vaak de volgende vragen gesteld:
- Wat is beter; de schijf van
boven of van onderen te benaderen?
- Waar kan ik het beste op
richten; onderkant zwart, of de roos?
In principe maakt het niets uit,
of men eerst het wapen schuin naar boven richt, en dan langzaam
zakt tot onderkant zwart bereikt is, of dat men het wapen
langzaam heft en van onderen de schijf benadert.
Belangrijk is alleen, dat als het
wapen eenmaal gericht is, het schot zonder fouten wordt
afgegeven.
Bij schutters met weinig
training, komt het veelal voor dat de kaarten vreemde schoten te
zien geven.
Stelregel is dus: benut uw
spierkracht niet meer dan nodig is.
Bij beantwoording van de tweede
vraag gaan we er vanuit dat de vizier inrichting helder en
duidelijk zichtbaar moet zijn.
Voor deze zichtbaarheid van het
donkere vizier is een lichte achtergrond het meest optimale.
TREKKERTECHNIEK
Een situatie die zeer veelvuldig
voorkomt is deze:
We willen absoluut een 12
schieten, richten het wapen rond de roos, stellen nog wat bij,
en nog wat, en nog wat.
Ondertussen krijgt men ademnood
en loopt paars aan, de arm begint te trillen en de ogen gaan
alles wazig zien, men gaat knipperen om het beeld weer scherp te
krijgen. Plotseling herinneren we ons dat we ook nog de trekker
moeten overhalen voordat we overleden zijn, geven een ruk aan de
trekker, en schieten een afzwaaier. Later zeggen we dan; "Ik had
beter niet kunnen schieten", maar dat is mosterd na de maaltijd.
Een van de weinige fouten die
niet aan u, maar aan de afstelling van het wapen ligt, is een te
grote vrije slag van de trekker nadat het schot gevallen is.
De trekkerdruk van ongeveer 1,5
kg. valt na het schot plotseling weg, en de trekker schiet door.
Deze snelle beweging van de wijsvinger is dan de oorzaak van het
omtrekken van het wapen. Dit is niet erg wanneer de pluim al uit
de loop is, maar funest wanneer hij nog in de loop zit.
Een goed luchtgeweer heeft een
instelmogelijkheid om deze vrije slag (backlash) te regelen.
Optimaal is een vrije slag van 0,5 mm.
De laatste schakel voor het
afgeven van een schot is het overhalen van de trekker. Nadat de
schutter met volledige concentratie het wapen op de schijf
gericht heeft, en probeert zijn positie stil te houden, moet hij
nog een moeilijke taak verrichten; het overhalen van de trekker.
Dit is een moeilijke opgave; men houdt het wapen richting roos
gericht (dit kost enige kracht), en een subtiele beweging van de
wijsvinger welke de trekker overhaalt, kan het wapen uit de
goede richting trekken.
Als we aannemen dat er 6 tot 10
seconden voor nodig zijn om te richten en de trekker over te
halen, dan moeten we de trekkerdruk zo opbouwen dat in de
laatste seconde nog slechts een kracht van 100 gram nodig is om
de trekker over te halen. De kracht (druk op de trekker) laten
we tijdens het richten steeds groter worden tot het wapen goed
gericht is. Dit is dan na ongeveer 8 seconden.
Nu hoeven wij de druk op de
trekker nog maar weinig te verhogen om het schot te laten afgaan.
Deze kracht is zo weinig dat het wapen veel minder gevaar loopt
"omgetrokken" te worden
Men moet zich er wel van bewust
zijn dat de techniek om de trekker over te halen, zonder dat het
wapen beweegt, alleen maar door oefening kan worden bereikt. De
beginnende schutter, moet er zich niets van aantrekken dat hij
het wapen nog niet zo stil kan houden als een goed getrainde
schutter. Hij kan wel proberen de fouten niet nog erger te maken
door aan de trekker te rukken. Het lossen van een schot moet
steeds rustig en beheerst gebeuren, zonder rukken, teneinde het
wapen niet uit het lood te trekken.
Het automatisch opbouwen van de
trekkerdruk kan alleen door oefening onder de knie te krijgen,
wanneer het trekkergevoel tot een gewoonte wordt.
Ik wil hierna graag nog enige
trekkerfouten noemen, in de hoop dat u uw eigen fouten herkent,
en ze afleert.
Een van deze fouten bij het
overhalen van de trekker is het zogenaamde "flinching". Onder
flinching verstaan we een snelle onwillekeurige beweging van de
wijsvinger, op het ogenblik dat het schot valt. Dit is een
bijzonder lastige fout welke moeilijk is af te leren.
Meestal komt dit flinching voor
bij schutters met een soort schietangst. Dit openbaart zich door
knipperen met de ogen, en het uitzetten van de neusvleugels. Men
heeft dan zijn spierfuncties niet voldoende onder controle.
Het komt ook veel voor dat een
schutter kramp krijgt in zijn trekkervinger. Hij bouwt dan de
trekkerdruk langzaam op, maar plotseling weigert zijn wijsvinger
alle diensten. In dit geval zal bij het doordrukken opeens een
coördinatiestoring tussen diverse spiergroepen en de hersenen
optreden. Als deze "storing" optreedt moet men het wapen
neerleggen en een pauze nemen.
Deze spierkramp zal steeds minder
voorkomen naarmate men meer getraind raakt. De meeste
handelingen zullen dan praktisch automatisch worden verricht, en
de meeste bewegingen dus gewoon worden. |